Alarmfase – Marcel

‘Het is begonnen!’ hoor ik Anne roepen. Het is twee uur in de nacht en terwijl ik op het toilet, waarvoor ik mijn bed met tegenzin heb verlaten, zit te suffen dringen de woorden traag tot mijn wazige hoofd door. ‘Begonnen? Wat is begonnen? Een film?’ Maar dan schiet ik wakker. Het is begonnen!

Ik trek haastig door, vergeet mijn handen te wassen en storm half struikelend de slaapkamer in. Anne heeft het dekbed van zich afgeslagen. Op de matrashoes tekent zich een natte plek steeds ruimer af. De vliezen zijn gebroken, constateer ik alert. Want zoveel verstand heb ik wel van zwangerschapszaken. ‘Je moet bellen!’ roept Anne.

Telefoon en nummer liggen al klaar op mijn nachtkastje, dus dat scheelt weer. De dienstdoende verloskundige vertelt me dat we nog niet naar het ziekenhuis hoeven. Er zijn immers nog geen weeën op gang gekomen. ‘Probeer maar wat te slapen,’ adviseert ze.

Teleurgesteld hang ik op. Het liefst was ik, ondanks het nachtelijke uur, meteen met Anne naar het ziekenhuis gereden. Dan waren we daar maar alvast. Want ik heb één grote angst:  naar het ziekenhuis te moeten scheuren met Anne bij me die op het punt staat van bevallen en dan de EHBO niet kunnen vinden. Kippig als ik ben is dat echt iets voor mij. Thuis kan ik al hopeloos lopen zoeken naar een schaar, potje mosterd of pakje paneermeel en met de EHBO-afdeling van een ziekenhuis zal dat niet anders zijn.

Er zit niets anders op. We proberen te slapen en dat lukt ook nog. Maar in de loop van de ochtend beginnen de weeën. En die worden heftiger naarmate de dag vordert. Tegen de avond kondig ik spontaan Alarmfase 1 af. Anne kan nauwelijks staan of zitten en ik bel naar het ziekenhuis. We mogen meteen langskomen.

Het wordt een dolle rit. Het is slechts twintig minuten rijden, maar elke seconde telt. Anne zit achter me, puft als een stoomtrein en knijpt mijn stoel fijn. We zijn er bijna. En ik weet niet waar de EHBO zit. Tegen beter weten in rijd ik naar de hoofdingang. Ik weet niets anders te bedenken. Pas als ik daar voor de deur sta besef dat ik hier helemaal niet moet zijn. ‘De…puf…andere…puf…kant…puf…van…puf…het…puf…ziekenhuis,’ kreunt Anne. Altijd even scherp, die vrouw van me. Ik rijd terug en gelukkig, op de hoek die ik al was gepasseerd schreeuwen mij vier enorme letters toe: EHBO, nog hel verlicht ook.

De auto parkeer ik, ik gris de benodigde spullen van de passagiersstoel en loop met Anne naar binnen. Een zuster komt ons al tegemoet met een rolstoel. Anne gaat zitten en wordt weggerold, richting kraamafdeling. Ik hobbel er achteraan. En pas dan ben ik me ervan bewust wat ik met me meedraag. Onder mijn arm een tas met spullen van Anne, en in mijn hand: een maxi-cosi met babykleertjes. Met verbijstering kijk ik ernaar. Verdomd, besef ik, straks hebben we een kind!

About the author  ⁄ Redactie

Related Posts

No Comments