Het leven als zoogdier

En toen was het zover: er was een baby in huis. Onze baby. De liefste, mooiste, leukste, slimste baby. De armpjes nog ongecontroleerd zwiepend, waar de vader zich ten onrechte zorgen over maakt: ‘Is dat normaal?’ De moeder – ikke – gekrenkt, natuurlijk. Alles is namelijk bij voorbaat goed en dus “normaal” aan haar.

Diepe gevoelens van trots, van blijdschap, van geluk – ze overweldigen me. Ik kijk naar haar, het mooiste wat er is. Zelfs na maanden gebroken nachten kijk ik naar haar op momenten dat ik eigenlijk zou moeten slapen. Ik kan het gewoon niet laten. Ze is nog zo lief, zo zacht, zo klein, zo teer. Ik wil het geluk vangen en nooit meer laten gaan. Ik ben dan ook continu met de camera in de weer. Bang dat de foto onscherp is of dat ze er met een vreemde grimas op staat, klik ik telkens opnieuw. Zodat ik later als ik een oud besje geworden ben, op mijn kamertje in het bejaardentehuis met een beamer alle mooiste momenten van mijn leven nog een keertje op de muur voorbij kan laten komen.

Ik geef toe, het is, naast de mooiste van mijn leven, ook een pittige tijd geweest. Want in tegenstelling tot alle jubelverhalen die ik las over doorslapende baby’s, werd mijn dochtertje gedurende het gehele eerste jaar gemiddeld 8 keer per nacht eventjes wakker, meestal als ik net in slaap gevallen was. Mijn vriend had vanaf dag 1 ’s nachts het luchtruim gekozen en zijn intrek in de logeerkamer gedaan. Hij vond dat er tenminste één iemand uitgerust aan de ontbijttafel moest zitten. Waarmee hij zichzelf bedoelde. En toch, hoewel dat me af en toe (lees: vaak) wel opbrak, genoot ik van het zorgen voor haar. Kortom: ik was doodmoe, maar dolgelukkig. En dat ben ik nog steeds.

En als ze overdag even slaapt, dan huilt de rest: de wasmachine, de droger, de verwarming, de poezen… Elk piepje, kraakje, zuchtje wind: het kan mijn baby zijn die me nodig heeft. En baby’s houden niet van wachten. Van wachten gaan ze best wel hard krijsen. Waar je dan bijvoorbeeld tijdens het aankleden na een badje, als kersverse moeder aardig zenuwachtig van wordt. Babygehuil is namelijk niet om aan te horen. Het moet gestopt worden. En dat kan maar op één manier: met liefde. En soms helpt zelfs dat niet. Want liefde werkt helaas niet tegen krampjes. Dan helpt alleen geduld. De baby in je armen houden, zachtjes zeggen: mama helpt je, mama houdt van je, mama is bij je. Duizendmaal achter elkaar. Tot de krampjes bezworen zijn en de baby heerlijk slaapt.

Ja, het moederschap, het is bitterzoet. Maar veeeel meer zoet dan bitter.

 

About the author  ⁄ Redactie

Comments are closed.